Onzinbanen: antropologie van de zombiezone

 In Energie werkend Nederland, Werkenergie, Werkvuur

Afgelopen jaar gonsde ineens een nieuwe term door arbeidsland: ‘onzinbaan’ oftewel ‘bullshit job’. De term is afkomstig van de Amerikaanse antropoloog David Graeber. Nadat hij er in 2013 al een essay aan had gewijd, publiceerde hij het afgelopen jaar zijn besteller ‘Bullshit Jobs – Over zinloos werk, waarom het toeneemt en hoe we het kunnen bestrijden’. In dit artikel bespreek ik de essentie van het boek en neem ik je mee naar de Tegenlicht Meetup waarin het boek centraal stond. [Hans van der Loo]

 

Hoewel zijn bewijsvoering vaak flinterdun was – hij ontleende zijn inzichten aan een uiterst beperkte en selectieve groep mensen –was Graeber niet geneigd om zich in te houden en deed in interviews allerlei vergaande uitspraken. Zo zou het volgens hem in vrijwel alle organisaties, van hoog tot laag, van de onzinbanen wemelen. Voorbeelden: topbestuurders die bezig zijn met feitelijk nutteloze overnames en fusies, managers die beleidslijnen uitzetten die niemand leest of die dingen vernieuwen vanwege het vernieuwen, consultants die gebakken lucht verkopen, juristen die vooral zichzelf bezig houden en daarbij en passant absurde bedragen verdienen, onderknuppels die als doorgeefluik fungeren van onzinnige besluiten aan de top en medewerkers die zich met “vage bezigheden als communicatie, marketing, human resources of compliance bezighouden”.

 

De essentie van het boek in drie vragen

Hoe groot is het aantal onzinbanen? Dat is niet duidelijk. Soms spreekt Graeber van driekwart van alle banen, en op andere momenten verwijst hij weer naar onderzoek dat aangeeft dat ongeveer 40% van alle werkenden zijn of haar baan als onnuttig bestempelt. Op weer andere momenten stelt hij dat een derde van de banen geschrapt kan worden zonder dat iemand daar een centje pijn van zou hebben. Het precieze percentage onzinbanen doet er in zijn ogen niet toe: het gaat erom dat productieve werkzaamheden – het maken van spullen, het bouwen van huizen, het verlenen van zorg – de afgelopen decennia zijn overwoekerd door allerlei vage dienstverlenende en communicatieve taken.

 

Hoe komen we aan al die onzinbanen en vooral ook, hoe komen we er vanaf? Het eerste deel van de vraag beantwoordt Graeber op de gebruikelijke manier: door te verwijzen naar het feit dat groeiende automatisering en digitalisering tal van bestaande banen overbodig hebben gemaakt. Maar er speelt ook nog een andere factor en die houdt verband met een samenzweringstheorie. Het lijkt of de westerse landen, net als de voormalige communistische staten, banen scheppen om te voorkomen dat mensen gaan niksen. De politieke elite vreest dat ledigheid bij de massa tot moreel verval zal leiden. Daarom worden doelbewust bullshit-jobs gecreëerd. In de woorden van de professor: ‘we worden geterroriseerd en improductief gemaakt door een ‘feodale managersklasse’.

Wat te doen om het tij te keren? Het antwoord is vrij simpel: we hebben een systeem dat in staat is om ongekende welvaart te produceren. Er is alleen niet genoeg werk. Dus: minder werken en een basisinkomen invoeren en het probleem is opgelost.

 

Tegenlicht Meetup

Naar aanleiding van het boek werd afgelopen zondag de Tegenlicht-uitzending ‘Mijn bullshitbaan’ door de VPRO uitgezonden. Daags erna vond in Utrecht een Meet-Up in Utrecht plaats om er verder over door te praten. In een volle bibliotheekzaal bleek de uitzending heel wat los te hebben gemaakt. Voordat de avond officieel was begonnen, gonsde het van de verhalen over nutteloos en onzinnig werk. ‘Marketing en pr – dát zijn de grootste onzinbanen wist de buurman rechts van mij met stelligheid. Mijn linkerbuurvrouw hield het op daarentegen op banen bij de overheid. ‘Daar wemelt het van de nutteloze organisatie, zoals provincies. Als je daar werkt, is het vrijwel onmogelijk om zin uit je werkzaamheden te putten’. Zij kon het weten, want ze had er ooit gewerkt. Een mijnheer achter ons mengt zich in het gesprek. Hij zocht het kwaad van al die onzinbanen liever in het bedrijfsleven. ‘Want het zijn bedrijven die allemaal onnodige troep produceren, zoals snoep en petjes’. Zoveel zinnen, zoveel smaken. Het officiële programma kon beginnen.

Persoonlijke verhalen: stoppen met die onzin

Een jonge man werd geïntroduceerd die na zijn studie economie blijkbaar de foute beroepskeuze blijkt te hebben gemaakt. Vol verwachting van een glanzende carrière solliciteerde hij bij en van de grote accountantskantoren om zich op advies aan grote pensioenbedrijven op het gebied van risicomanagement te richten. ‘In principe een maatschappelijk verantwoorde baan’, zo stelde hij, ‘want als de risico’s van pensioenen niet goed zijn afgedekt, krijgen mensen hun beloofde geld niet’. In de praktijk liep het anders. De kersverse arbeidskracht werd geacht om zijn ambities opzij te zetten om niets anders te doen dan de godganse dag Excelsheets in te vullen. Als hij met zijn onderdeel klaar was, gaf hij zijn werk door aan een collega, die het op zijn beurt weer overdroeg aan en andere collega, totdat het werkstuk uiteindelijk door een van de partners werd beoordeeld. Als het allemaal ok was, ging die ermee naar de klant. In de anderhalf jaar dat hij er werkte, had hij nooit enige vruchten van zijn werk gezien, laat staan dat hij in contact met een klant was gekomen. Het pijnlijke besef dat dit een doodlopende straat was, begon bij hem te dagen. Na overleg met een loopbaancoach besloot hij het bijltje erbij neer te leggen. Gelukkig maar, want zijn passie bleek op een heel ander vlak te liggen: inmiddels is hij bijna afgestudeerd als ‘bezielingscoach’. Niet direct een beroep dat iedereen als ‘nuttig’ zou kwalificeren, maar de jongeman straalde terwijl hij erover vertelde. Ik heb mijn ding gevonden’, zei hij, ‘en ik kan iedereen aanraden om dat ook te doen’.

Hij werd gevolgd door een jonge vrouw die een min of meer gelijksoortig verhaal vertelde. Ook zij was vol enthousiasme en idealisme bij een samenwerkingsverband van gemeenten aan de slag gegaan. Na enkele weken kwam zij erachter dat er eigenlijk geen werk voor haar te vinden was. Toen ze dit bij haar baas aankaartte, was hij niet zozeer verrast als wel inlevend. Samen zochten ze naar een andere functie. Inmiddels werkt zij als voorlichtster bij een andere gemeente. ‘het loont dus om het taboe op het hebben van een onzinbaan te doorbreken’, stelde zij. ‘Kaart het aan en ga met je leidinggevenden in gesprek, anders verandert er niets’. Het doorbreken van taboes bleek tijdens de rest van de avond een belangrijk thema te zijn: stuk voor stuk biechtten mensen in de zaal op gebukt te zijn gegaan onder de terreur van onzinbanen. Niet iedereen was overigens even moedig geweest om met kritiek naar buiten te treden. ‘Ergens voel je je toch wel geïntimideerd door het systeem en denk je dat het zo gaat’, vertelde een deelneemster. Een ander gaf aan dat kritiek soms ook minder goed wordt ontvangen. ‘Ik kreeg alleen maar wazige blikken van mijn leidinggevende te zien’, vertelde een vrouw. ‘Vervolgens werd mij verteld dat ik een probleem had. Het duurde niet lang voordat ik werd ontslagen. Soms is het beter om je mond te houden. Want een onzinbaan is altijd nog beter dan helemaal geen baan’. De zaal knikte instemmend.

Wat zegt de wetenschap over onzinbanen?

Naast persoonlijke ontboezemingen, was er ook plaats voor wetenschappelijk onderzoek. Samen met een collega, legde Max van Lent, als economisch onderzoeker verbonden aan de Universiteit van Leiden, ruim honderdduizend werknemers de vraag voor of ze hun werk nuttig vonden voor de maatschappij? De uitkomst van zijn onderzoek valt beduidend lager uit dan de cijfers waarmee Graeber rondstrooit: 8% van alle werknemers beschouwt zijn of haar werk als nutteloos. In de top-vijf van nuttige beroepen vinden wij brandweerlieden, bijstandsambtenaren, bibliothecarissen, verpleegkundigen en docenten. Dat is een weinig verrassend lijstje. Het gaat in alle gevallen om beroepen waarin direct klantcontact centraal staat en waarin heldere en positieve impact op de ander kan worden gemaakt. Wat zijn de meest zinloze banen, althans volgens de betrokkenen? Die zijn voorbehouden aan kunstenaars, pr-functionarissen, financieel managers en helemaal onderaan de lijst: economen. Allemaal beroepen waarvan het belang niet een, twee, drie aan te geven is en waar het klantcontact vaak ook ontbreekt. Een beperking van zijn onderzoek is dat alleen inzicht wordt gekregen in subjectieve belevingen van mensen. ‘Dat kan ook niet anders’, legt van Lent uit, ‘een objectieve maat van zinvolwerk is nog iet te geven. Misschien lukt het wel nooit…’

Afdronk van boek, uitzending en meetup

De conclusie van deze avond: het valt op het eerste gezicht wel mee met die onzinbanen. Acht procent is wat anders dan de spectaculaire cijfers waar Graeber mee rondstrooit.

Het percentage van de onderzoekers Van Lent & Dur komt ook aardig in de buurt van wat wij in ons onderzoek naar de Energie van werkend Nederland als ‘zombiezone’ omschrijven. Het is de zone van werknemers met weinig energie, die in een negatieve spiraal zijn terecht gekomen. Momenteel telt de zombiezone 11% van alle werkenden. Uitgedrukt in aantallen gaat het om 957.000 mensen (de totale beroepsbevolking bedraagt 8,7 miljoen). Dat is zelfs meer dan het inwonertal van Amsterdam…

Als je deze aantallen op je in laat werken, begrijp je waarom Graeber – ondanks een krakkemikkig onderzoek – een gevoelige snaar raakte met zijn these van een groeiend aantal onzinbanen. Met dien verstande dat niet alleen – en misschien zelfs niet zozeer – om een groei van het aantal onzinbanen gaat, als wel om de groei van mensen die zich niet langer tevreden stellen met het werk dat zij geacht worden te doen. Oftewel: onze manier van werken, werkt niet meer. Als we daar wat aan weten te doen, kan het werkvuur weer oplaaien…

 

Verder lezen? Hier wat aanvullend leesvoer

 

Verder kijken: de Tegenlicht-uitzending van 24 maart 2019